Klinisch toepassingsgebied: Het hepatitis A virus, voor de eerste keer beschreven door Feinstone in 1973, is een RNA virus met een diameter van 27 nm dat tot de Picornaviridae groep behoort. Het virus wordt doorgegeven via de faeco-orale weg. Het wordt uitgescheiden via de stoelgang in het begin van de ziekte. De pathologie heeft een klinische beeld gaande van een ongemerkte infectie tot icterische of anicterische klinische hepatitis en soms tot een fulminante hepatitis, de leeftijd speelt hierin een grote rol. Het is echter niet geassocieerd met chronische leverziekte, noch persisteert het virus in het organisme. Epidemiologische studies hebben aangetoond dat er bepaalde regio’s zijn met een hogere prevalentie, waarin de mate van hygiëne en sanitaire voorzieningen van groot belang blijken. In de geïndustrialiseerde gebieden is er dan ook een lagere prevalentie, maar is er wel een hoger aantal ernstigere vormen van hepatitis. Vaccinatie geeft een lange-termijns bescherming voor hoogrisicogroepen, zoals reizigers naar hoogprevalente gebieden. Sinds de vaccinatie, wordt de anti-HAV Ig totaal antilichaam detectie gebruikt voor de pre-vaccinatie screening (opsporen van immuniteit) en voor de post-vaccinatie follow up. Interferenties: bij patiënten die hoge doses biotine (>5 mg per dag) innemen, dient de staalafname minstens 8h na de laatste toediening te gebeuren. |